Toeristische (kaas)winkels mogen worden verboden

De gemeente Amsterdam heeft op 5 oktober 2017 een voorbereidingsbesluit genomen dat inhoudt dat per direct de vestiging van specifiek op toeristen gerichte winkels in het centrum van de stad, niet meer is toegestaan. Het gaat dan om winkels waar meestal in het Engels, aan toeristen bijvoorbeeld ludiek verpakte kaas verkocht wordt. De gemeente ziet dit als een verschraling van het winkelaanbod waardoor een (toeristische) monocultuur ontstaat, en de gemeente heeft deze ontwikkeling met het voorbereidingsbesluit een halt willen toeroepen, in afwachting van een bestemmingsplan dat vervolgens deze activiteiten helemaal moet verbieden.

Direct na bekendmaking

Kenmerk van zo’n voorbereidingsbesluit is dat het direct na bekendmaking geldt. Anders immers zouden bepaalde partijen in een overgangsperiode de verboden activiteiten nog kunnen starten, zodat het besluit niet voor hen komt te gelden. In dit geval was overigens in het voorjaar van 2017 al in een beleidsstuk een dergelijk voorbereidingsbesluit aanbevolen.

Primair voor op toeristen en dagjesmensen?

Het besluit heeft menigeen verrast en vooral winkeliers en ondernemers waren het er niet mee eens en procedures kondigden zich al aan. Bij de bekendmaking van het voorbereidingsbesluit was een vraag of het wel mogelijk is vast te stellen dat sprake is van een winkel die zich primair richt op toeristen en dagjesmensen. Op 23 januari 2018 heeft de rechtbank Amsterdam over het besluit de eerste uitspraak gewezen[1]. Het ging om een kaaswinkel op het Damrak, die op last van de gemeente moest sluiten. Daar was de winkelier het niet mee eens en die tekende bezwaar aan tegen het besluit van de gemeente. Het heeft geleid tot een procedure bij de bestuursrechter.

Daarbij is ten eerste van belang om te weten dat tegen een voorbereidingsbesluit op zichzelf geen beroep openstaat. In deze zaak betrof het echter een direct beroep tegen een last onder bestuursdwang die was opgelegd aan een kaaswinkel vanwege een (herhaaldelijke) overtreding van het voorbereidingsbesluit. In dat geval kan de bestuursrechter ook, tot op bepaalde hoogte, de rechtmatigheid van het voorbereidingsbesluit toetsen aan het Europese recht en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

De winkelier heeft in de procedure op dit vlak meerdere gronden aangevoerd. De bestuursrechter is in zijn uitspraak uitvoerig op de gronden in gegaan, en heeft geconcludeerd dat er geen reden is voor een onverbindend-verklaring van het voorbereidingsbesluit.

In de procedure is de vraag aan bod gekomen of er überhaupt wel onderscheid te maken is tussen een reguliere kaaswinkel en een kaaswinkel die zich primair richt op toeristen en dagjesmensen. De gemeente heeft daarover gesteld dat de reclame-uiting, de presentatie, het assortiment en/of de bedrijfsvoering hierin doorslaggevend zijn. De bestuursrechter heeft hierover als volgt geoordeeld:

“Het voorbereidingsbesluit, in combinatie met de toelichting daarop in de voordracht van het college, biedt voldoende grondslag om in een concreet geval te bepalen hoe een detailhandelsvestiging moet worden ingericht om niet onder het gebruikswijzigingsverbod te vallen.“.

Voorbereidingsbesluit overtreden?

Na de conclusie van de bestuursrechter dat de regels niet onverbindend werden verklaard, lag nog de vraag voor in hoeverre het voorbereidingsbesluit wel was overtreden door de winkelier, nu deze had gesteld dat geen sprake is van een wijziging van het gebruik naar detailhandel die is gericht op dagjesmensen en/of toeristen. In dat verband heeft de ondernemer aangevoerd dat het gebruik van het pand al voor de inwerkingtreding van het voorbereidingsbesluit was gewijzigd, namelijk al op 20 juni 2017 (dat was de ingangsdatum van de huurovereenkomst) dan wel op 5 oktober 2017. De rechtbank heeft daarover geoordeeld dat niet gebleken is dat zich op het adres voor 6 oktober 2017 al een kaaswinkel had gevestigd die zich specifiek richtte op toeristen en dus heeft de rechtbank geoordeeld dat terecht een last onder bestuursdwang was opgelegd.

De winkel moet dus met deze activiteiten stoppen. De ondernemer zit met de gebakken peren en zal of moeten kiezen voor een andere exploitatie, die wel past in het beleid van de gemeente, of zal moeten vertrekken. Dat kan ten opzichte van de verhuurder van de bedrijfsruimte natuurlijk voor problemen zorgen, als er een langdurige huurovereenkomst is gesloten. Daar kan de huurder over het algemeen niet zomaar onderuit. Er zit waarschijnlijk dus nog wel een staartje aan dit verhaal. Deze zaak laat zien dat zelfs een voorafgaande check op het bestemmingsplan niet altijd volstaat. Als u behoefte heeft aan zo’n (nadere) planologische inschatting, voordat u verplichtingen aangaat, dan staan wij u vanzelfsprekend graag bij.

[1] ECLI:NL:RBAMS:2018:294, rechtbank Amsterdam 23 januari 2018